MijOok,

de regels en de groepsdruk.

In de lawine van verontwaardiging over ongewenste seks dreigt begrip en blijdschap over menselijke interactie onder te gaan. Natuurlijk zijn weldenkenden tegen seks door intimidatie van meerderen of met kinderen door volwassenen. Indien afgedwongen is het beschadiging van geest en lichaam. Daartegen moet een levensvatbare samenleving zich verweren. Maar bij maatregelen in verband met seks, vooral die genomen door stuurlui aan de wal, moet je altijd op je qui vive zijn. Voor je het weet spoelen ze het geschonden kind met het badwater weg.
Gedachten van een MijOok betrokkene.


Toen ik een pleidooi las om het fluisteren van lieve woordjes tegen iets aantrekkelijks of bewonderend fluiten ernaar te bestraffen, ging mij dat een stap te ver. Nog even en je gaat zelfs de bak in na het doen van een huwelijksaanzoek, een seksaanbod van de eerste orde. En één die niet altijd in goede aarde valt. Ik moest denken aan de Engelse vrouw van een collega. Wij spraken elkaar over het leven in het Midden Oosten, waarnaar ik toen zou vertrekken. Zij had een poos in Turkije gewoond. Ze vertelde allerlei dingen die er haar niet bevielen. Maar, bekende ze, als ik hier in Nederland over straat loop, mis ik het wel eens dat er niemand is die probeert in mijn bil te knijpen. Bedenk dat één dissident bewijst dat de stelling 'vrouwen willen dat niet' vals is. Voor de duidelijkheid haast ik mij hier ten behoeve van de logisch ongeschoolde lezer(es) aan toe te voegen, dat mijn bewering open laat dat de meerderheid het beslist niet wil. Dat denk ik zelf ook.
Wat ik eigenlijk wil zeggen is: het gaat er om wat individuen willen, beter om wat ze soms wel en soms niet willen. Een zelfde daad kan tussen verschillende mensen verschillend worden gewaardeerd. Die daad verbieden kan goedwillenden dus van bepaalde vreugde en genot beroven. Pas op ermee!

De MijOok berichten nopen tot voorzichtigheid. Een man die over MijOok begint, is al vlug verdacht. Toch waag ik het er op mee te praten. Ik put moed uit de drie MijOok rollen van mijzelf. Dan kan het, geloof ik, al waren mijn belevenissen niet van ernstige aard. Het is dus niet omdat ik, toen ik vijf was spelend thuis bij een meisje in onze straat, haar nieuwsgierige moeder, die vroeg wat ik later wilde worden, antwoordde met: “ik word mevrouw”. Op haar vraag waarom? Legde ik uit dat meneren altijd naar hun werk moesten, terwijl mevrouwen altijd met hun vriendinnen thee en koffie konden drinken. Daarom leek mevrouw zijn mij beter. Ze heeft er later samen met mijn moeder nog vaak bij koffie of thee over gegiebeld. Eerder al vond ik meisjes beduidend mooier dan jongens. Vooral om die mooie strik in hun haar. Ik kreeg mijn moeder zo ver dat ze me, om van het gezeur af te zijn, ook een keer met een strik in mijn haar naar de kleuterschool liet gaan. Wat daar precies gebeurde, weet ik niet. Maar toen ik thuis kwam, nog steeds met strik, moest het ding af. Ik heb er nooit meer naar getaald. Ik denk dat groepsdruk de oorzaak was van mijn andere gedachten.
Speelt groepsdruk over wat abject slecht is niet ook een rol en veroorzaakt ze geen geestelijke schade bij slachtoffers van lichte vormen van seksmisbruik? In het geval van de haarstrik was er geen slechtheid in het geding. Het kon hoogstens leiden tot gelach, niet tot betuiging van medeleven en uitroepen als “O, wat vreselijk! Wat voelde je toen?” Niemand zal mijn moeder, de dader, hebben willen straffen. Ik was het voorval totaal vergeten. Ik weet het uit de tweede hand van de verhalen van mijn ouders. Dit is een argument uit het ongerijmde, ‘wat als het anders was gegaan?’. Als er aanhoudende ontsteltenis was geweest en verwijten aan mijn moeder en medeleven met mij? Zou er dan uit mij een slachtoffer zijn gegroeid?

In de eerste van de drie episodes uit mijn leven hiernaast had ik een potentiële slachtofferrol. Er was vergetelheid toen er geen omgevingsdruk was.
Bij mij kwam de herinnering pas na mijn twaalfde jaar terug. Eindelijk vernam ik van een betrouwbare volwassene wat slechte bedoelingen zoal waren. Verrekt, zoiets heb ik ook, MijOok. Ik kan in alle eerlijkheid vertellen dat sindsdien die belevenis, als hij mij al eens opnieuw te binnen schoot, alleen maar pret gaf.

Lees het voorgaande niet als pleidooi om kinderlokkers hun gang te laten gaan, maar vraag je af of de invloed van groepsdruk op misbruik slachtoffers geen belangrijke rol speelt bij geestelijke narigheid. Het zou maar zo kunnen dat die bij lichte gevallen de enige oorzaak is. Is dat voldoende onderzocht? Ik zou het resultaat van zulk onderzoek willen kennen voor ik me aan regelgeving ging bezondigen*.
Op mijn rol in de tweede episode mag ik wat trotser zijn, al was hij niet vrij van zonde tegen de regels. Toch was vergetelheid hier eveneens troef.

Ik vertel het verhaal maar helemaal uit, zij het verkort. Anders krijg ik daarna vragen over de afloop al heeft die niets meer met MijOok te maken. Ook dit redder-MijOok was ik totaal vergeten. De eerste bladzijde van Rietje’s scan bracht die herinnering niet terug. Pas toen ik kwam bij het aandeel van de twee luitenants, kwam het geheel met al die boze gezichten, de in de nacht turende belaagde dame en de chemicus weer als een film bij me boven. Mini-heldendom was dus net zo min een geheugensteun als bruine tanden.

Ik beken nu maar, er is ook een zwarte bladzij in mijn MijOok geschiedenis. Een moment van schaamte. Dat is ook zonder externe hulp niet vergeten.

Ook dit is geen verhaal om bij bazen te pleiten het maar eens te proberen. Je moet volgens mij op heel wat inniger voet zijn met iemand om je zoiets in gezelschap te kunnen permitteren. Zelfs dan niet, denken nette mensen. Maar daarover durf ik wel van mening te verschillen. Hoe dan ook ik denk dat het veilig is te zeggen geen lichamelijk contact tenzij je zeker bent dat het gewenst is. Helaas is zo’n uitgangspunt niet in een wet vast te leggen. Wat is zeker tussen twee mensen? Wat vandaag gemeend is, kan morgen anders zijn. Wat men zegt, is niet altijd wat men wenst. In hoeverre is uitdagende kleding een uitdaging en in hoeverre het doen wat anderen doen? Voor de een is het uitblijven van opdringerige aandacht misschien een teleurstelling voor de ander is het blijk van die aandacht ongezocht lastigvallen. Ook de ene aanraking is de andere niet. Het hangt af van hoe čn wie het doet čn wie het ondergaat. Ikzelf weet heel goed het verschil tussen een vriendelijke voorzittershand op mijn pols om me te behoeden voor het uitflappen van stommiteiten en de greep van een boze leraar die me eens aan diezelfde pols uit een schoolbank rukte, omdat ik me volgens hem misdroeg
1. Slachtoffer.
Ik was een jaar of negen toen een meneer mij en mijn vriendje iets wilde laten zien, waarvoor we volgens hem achter een paar struiken moesten schuilen. Hij toonde een verkreukeld en verschoten tijdschrift met blote vrouwen. In ruil daarvoor wilde hij onze piemels zien. Dat leek ons een verdienstelijke ruil. Zelfs toen hij na wat geblader van ons met zijn hand voelde of ze echt waren. Het duurde allemaal niet lang, hij moest weg. Maar hij beloofde met nog mooier materiaal terug te komen. Dat deed hij een paar dagen later. Ik speelde toen alleen en kroop zonder aarzelen met hem achter de struik. Hij haalde inderdaad als beloofd een ander tijdschrift voor de dag, dat mijn volle aandacht kreeg. Het leek vanzelfsprekend dat hij zijn voelwerk voortzette. Ik merkte het nauwelijks. Totdat hij naast me kroop en vroeg of hij hem in zijn mond mocht nemen. Dat wilde ik niet. Hij had erg bruine tanden. Die vond ik vies, wat ik hem ook zei. Hij stond op, griste zijn blad terug en liep weg. Einde. Mijn vriendje wilde later jaloers weten wat het nieuwe bezoek had opgeleverd. Wij besloten er met niemand over te praten. Het leek te veel op verhalen van onze ouders over kinderlokkers met een snoepje en ‘slechte’ bedoelingen. Wat die waren hadden ze er weliswaar niet bij verteld, maar wij zagen toch wel overeenkomst tussen snoep en mooie plaatjes. Wij hebben beiden de hele zaak vergeten. Er was niemand die met ons meeleefde, de slechtheid vervloekte, of informeerde hoe wij geleden hadden.


2. Redder.
In mijn achttiende jaar logeerde ik in Eindhoven bij een leuke vriendin, die ik kamperend op Terschelling ontmoette. Ze had een maat nodig voor een schoolbal. Nu, na meer dan zestig jaar herinnerde Riet zich me door de vondst van een brief die ik haar nadien schreef. Het was een verslag van mijn terugreis naar Leiden in de trein. Onder de medereizigers waren twee matrozen, beiden enigszins aangeschoten. De ene was luidruchtig, maar niet ongeestig. Hij bracht ons soms aan het lachen. Een dame was er niet van gediend en bleef afgewend door het raam kijken, waar in de nacht niets te zien was. Janmaat trachtte zonder succes haar aandacht te trekken. Dat zinde hem niet. Na verschillende tekstuele probeersels gooide hij het over andere boeg en begon over haar jasmouw te aaien; “lekker zacht”. De dame schudde hem af, maar hij wist van volhouden. Ik stond op, tikte de Jan op zijn schouder en zei een tikkel geaffecteerd “kom even mee vrind”. Hij aarzelde, maar ik scheen genoeg indruk te hebben gemaakt, want hij stond op en liep achter mij aan naar het balkon. Zijn kompaan “dan ga ik mee” kwam achter ons aan. “Wij ook” een stel toeschouwers volgde, haast te veel voor het balkon. Ik begon met “ik ben luitenant ter zee tweede klasse Le Pair” en vervolgde met een berisping over zijn gedrag. De jantjes leken onder de indruk, maar de rest niet. “Wat ga je nou doen meneer, ga je die jongen verlinken?” vroeg een boze mevrouw. Anderen kozen ook partij en ik begon aan de wijsheid van mijn optreden te twijfelen. Gelukkig klonk het op eens “De luitenant heeft volkomen gelijk”. Het kwam van een andere jonge man, net als ik in burger. Hij maakte zich bekend als “ook luitenant ter zee”. De menigte bond in en droop af. De matrozen waren onder de indruk en beloofden zich netjes te gedragen. In de coupé bleef het stil al was de stemming geladen met anti-autoriteitssentiment. In Rotterdam liep de trein leeg. Ik bleef alleen over met mijn collega luitenant. Na een paar woorden samen zei hij dat ik geen zeeofficier was. Hij had bij het tonen van mijn kaartje aan de conducteur in mijn portefeuille mijn collegekaart, destijds een grote flap, gezien. Na nog wat heen en weer gepraat, verdween mijn geloof in zijn aandeel aan de zeemacht. De verdere reis hebben we samen gelachen. Hij studeerde chemie in Leiden en was slechts twee jaar ouder. We hadden elkaar voordien nooit ontmoet.


3. Boosdoener.
Ik was baas in een flink bedrijf met veel assertieve medewerkers. Mijn bewondering voor mooie, slimme, brutale dames was alom bekend. Er werd in cabarets en sinterklaasgedichten vrolijk gebruik van gemaakt. Een van ‘onze meiden’, zo noemden ze zichzelf, had bijzonder lekkere billen. Nog meer ook, maar dat is niet ter zake. Op een keer terwijl we in een hele club stonden om een zakelijk strijdpunt uit de wereld te helpen, kon ik de verleiding niet weerstaan. Mijn hand schoot uit en bleef even waar hij niet hoorde. Zij reageerde niet. Maar ik schrok van mijn daad. En verontschuldigde me. De anderen wilden direct weten wat er aan de hand was. We hielden daar niet veel voor elkaar verborgen. Zij vertelde de club, dat het niet erg was, ik meen dat ze iets zei als “hij heeft niet eens geknepen”. En ik, al durf ik zelf over dat knijpen niet te zweren, zei wat ik gedaan had en dat ik zoiets niet moest doen. Wij waren toen en zijn steeds gebleven, goede vrienden. Ze kwam me zelfs vele jaren later op een jubileum nog stevig zoenen.
Ik ben blij dat ik geen rechter ben en geen MijOok twisten hoef te beslechten. En ik ben bevreesd voor regelmakers die gevoelig zijn voor mode grillen. Voor je het weet heb je onnaleefbare wetten die ook nog eens niet op naleving gecontroleerd kunnen worden. Bij onderwerpen die met seks te maken hebben is dat meer regel dan uitzondering. Denk aan het geklungel met prostituees, die om ze te beschermen de armoede en onveiligheid in worden gedreven.

Aan MijOok kleven nog twee andere aspecten. Ik denk dat we die ethische puzzels moeten noemen.
Ten eerste hoe gaan we formeel om met in alle opzichten gelijk gedrag dat het ene paar blij maakt en vreugde geeft en bij het andere paar tot narigheid leidt? En wat te doen als de perceptie van een van de betrokkenen later verandert? Het onderscheid stelt misschien onvervulbare eisen aan rechtspraak, opsporing en bewijslast.
In de tweede plaats vind ik het een ethiek kwestie rekening te houden met verworven voordeel. In hoeverre heeft het slachtoffer van destijds van de opgedrongen rol geprofiteerd? Heeft de aangenomen sollicitant of artist de baan, de promotie of de rol gekregen en aanvaard die tot drangmiddel diende? In het laatste geval was het min of meer omkoping met seks als handelswaar, waarin het slachtoffer de koop aanvaardde. We staan daarmee opnieuw voor de vraag in hoeverre omgevingsdruk later lijden heeft gevormd of gesterkt?

Zo lang de invloed van omgevingsdruk op de ellende van slachtoffers niet in detail is ontrafeld*, is nieuwe regelgeving ongewenst. Laten we nog maar wat voorttobben met de bestaande wetten. Opsporing van kwaad kan wat mij betreft beter, maar dat vergt geen andere wet. Ik vind dat we de opkomende generaties moeten gunnen om te experimenteren met hun contact pogingen. Een levenszaak denk ik.

Nieuwegein, 2017 11 14.

Noot
*) In maatschappij wetenschappelijke literatuur ben ik onvoldoende thuis om het na te vlooien. Gedegen onderzoek naar invloed van omgevingsdruk is misschien al gedaan. In de media discussie ben ik het niet tegengekomen. Ik sta open voor tips. Het gaat niet alleen om kennis van zaken. Even belangrijk is het zicht op toepassing van die kennis net als bij mijn oude beroep ‘technologie en toepassing’.